Print

Preek bij de viering van de 7e zondag van Pasen, 24 mei 2020,

Johannes 17:1-13

Tijdens mijn studie theologie – lang geleden – had ik les van een professor in de filosofie. Hij gaf zijn lessen in eindeloos lange zinnen, waar taalkundig niets op aan te merken was, maar die ik helaas lang niet altijd kon volgen. Ik probeerde het wel. Soms dacht ik wat te begrijpen, wat ik dan snel probeerde op te schrijven. Ik herinnerde me dat ik dat een keer deed terwijl hij achteraf gezien blijkbaar met een tussenzin bezig was. Terwijl ik nog schreef zei hij ‘. . . haakje gesloten . . .’ en zonk ik moedeloos in de put. Wat ik dan eindelijk dacht te begrijpen bleek maar bijzaak te zijn.
Hoe geleerd de man misschien ook wezen mocht – didactische vaardigheden waren niet helemaal zijn ding. Maar deze herinnering komt bij me boven bij het lezen van het evangelie volgens Johannes van deze zondag. Weer zo’n typerend stuk van hem waarbij de woorden over elkaar heen lijken te vallen en je je na het lezen kunt afvragen wat hij nou precies gezegd heeft. Woorden herhalen zich, maar telkens net in een ander verband, zodat het perspectief steeds verschuift.
Verheerlijk uw Zoon, bidt Jezus, zodat uw Zoon U verheerlijkt. Ik heb U verheerlijkt door op aarde uw werk te doen en Ik bid voor mijn leerlingen die uw woord hebben aangenomen, Ik ben in hen verheerlijkt.
Nou kun je met woorden heel ingewikkeld doen om vooral te laten zien hoe geleerd je bent. Daar heb ik mijn docent van vroeger wel van verdacht maar de evangelist Johannes niet. Wat hij wil zeggen ís gewoon niet eenvoudig te zeggen, en niet in een heldere uiteenzetting onder woorden te brengen. Het evangelie van vandaag is bovendien geen betoog maar een gebed. Een gebed dat klinkt als een gedicht of een lied. In de woorden die om elkaar heen cirkelen wordt een ding duidelijk: de intense verbondenheid tussen God, Jezus en de mensen die bij hen horen. Als je er meer over wilt weten stuit je op het woord verheerlijking.
Maar wat is dat dan? We hebben in ons liedboek meerdere liederen die beginnen met ‘Verheerlijkt de Heer’! Als je de teksten van die liederen leest wordt duidelijk wat dat verheerlijken is: het is God loven en prijzen. En dat gaat het beste met een lied waarin Gods grootheid adem en stem krijgt!
Hm. Moeilijk punt. Want in deze rare tijd blijkt juist het heerlijke zingen in een verdachte hoek terecht te zijn gekomen: Mogelijk gevaarlijk! Daarom mogen we dat straks níet in onze kerken terwijl we juist daar zo graag samen zingen. Dat is pijnlijk en verdrietig, en we gaan het, als we weer in onze kerken mogen samenkomen, zeker missen.
Maar het is misschien ook als met zoveel dat we in deze tijd moeten missen: we ontdekken de waarde ervan. Want met zeggen dat verheerlijking ons al gauw bij het zingen brengt, zijn we er nog niet als het om de betekenis gaat.
Zingen is het mooiste wat een mens met de stem kan doen. Goed zingen is loslaten, zoals ik leerde van mijn moeder. De keel niet verkrampen maar juist ontspannen, goed ademen en het geluid laten komen. Er zit dus iets van vertrouwen en overgave in, en als het hoogste lied dat je zingt dan ook nog eens niet om jezelf draait maar om God, kan het één van de meest pure manieren zijn om God met hart en ziel te danken en je leven in zijn handen te leggen. Dus dát is verheerlijken ten diepste. Jouw bestaan opgehangen aan Hem. Je opgetild voelen door het lied dat in je binnenste ontspringt.
Met de lofzang en het dankzeggen (in het Grieks: eucharisteo) lijkt verheerlijken iets te zijn dat vooral in de liturgie gebeurt. Maar het is daar zeker niet toe beperkt, want Jezus zegt: ‘Ik heb U verheerlijkt door op aarde uw wil te doen.’ Dat is dus verheerlijken in veel meer diepe en brede zin. Het is niet alleen in het zingen beleven dat je bestaan geworteld is in God, maar in heel je doen en laten. Zo zingt een mens zijn of haar eigen lied, en dan is dat lied figuurlijk voor de manier waarop we met onze medemensen omgaan, voor de keuzes die we maken en voor de manier waarop wij God liefde handen en voeten geven op de plek waar wij staan, met de unieke kansen die ons daarin gegeven worden.
Jezus bid voor de mensen met wie Hij in zijn leven mocht optrekken. De mensen die hem door God gegeven werden, zoals Hij het zegt. Het zijn mensen die Gods woord hebben bewaard. ‘Vader, bewaar hen in uw Naam’, bid Jezus voor hen, opdat zij één zijn zoals wij.’ Dit bewaren is geen statisch gegeven, geen veilig opsluiten achter slot en grendel. Bewaren is bij elkaar blijven, niet geïsoleerd raken en niet enkel op jezelf aangewezen, maar verbonden blijven. Leven in het besef dat je samen lofzingend misschien het meest makkelijk kunt ervaren: dat je leven verbonden is met je Schepper en met elkaar.
Dat we die lofzang niet fysiek samen kunnen zingen maakt het er niet makkelijker op, ik ga het niet mooier maken dan het is. Niet voor niets hebben we dit zondag aan zondag eigenlijk nodig, juist het zingen. Maar laten we ons niet het besef ontnemen dat deze lofzang niet beperkt is tot de samenzang: ze is veel groter en breder dan dat. De verheerlijking is ten diepste de manier waarop we in het leven staan. Waarin ons geluk én ons verdriet niet los staan van onze Schepper, waarin ons doen en laten een manier kan zijn om Hem te verheerlijken. Ieder op eigen wijze, elk vogeltje zoals het gebekt is. We laten het lied van verheerlijking niet in onszelf verstommen. Zing het stil van binnen, zing het op de fiets in de wind, zing het door te doen wat je hart je ingeeft. We laten ons het lied niet ontnemen. Het krijgt alleen tijdelijk een andere, on-gezongen vorm. Het lied zingt door in ons. Het zingt met handen en voeten en, als het ons gegeven is, even met het hoofd in de wolken. Verheerlijkt de Heer, we zijn niet alleen! Amen